Afbeelding 2 Afbeelding 3
Afbeelding 4

Diversiteit is de kracht van de veehouderij

Gepubliceerd op 11 februari 2013 door Wageningen UR

Vlees, melk, eieren, vis. Mensen eten graag dierlijke producten, maar weten nauwelijks hoe ze geproduceerd worden. Als tot consumenten doordringt dat voor deze producten dieren nodig zijn, die in dat proces vroegtijdig het leven laten, kunnen ze verontwaardigd reageren. Daarom pleitte Wout Dekker, oud-topman van diervoederfabrikant Nutreco, op 7 februari op een veehouderijcongres in Wageningen voor een verplicht schoolvak over voedselproductie. “Dan krijgen consumenten weer waardering voor voedsel en de manier waarop het geproduceerd wordt”, sprak hij.  “Iedereen is verantwoordelijk voor de manier waarop voedsel geproduceerd wordt. Niet alleen de boer”, zei Annechien ten Have, varkenshouder, akkerbouwer en biogasproducent, tijdens datzelfde symposium in de Hof van Wageningen. Als de consument iets anders wil, dan kan de boer daar best op inspelen, zei ze, “maar de boer kan alleen bewegen als de rest van de keten – waaronder ook de consument en de overheid – meebeweegt.”

Maatschappelijke zorgen
Een keur aan maatschappelijke problemen die het houden van dieren met zich meebrengt kwam aan bod tijdens het symposium ‘Keuzes voor de landbouw en veehouderij: lokaal of mondiaal, intensief of ecologisch?’. De veehouderij is verantwoordelijk voor 15 procent van alle broeikasgasemissies; waar voedsel voor vee wordt verbouwd raken bodems verschraald, terwijl op plekken waar dieren geconcentreerd gehouden worden juist mest- en nutriëntenoverschotten ontstaan; 30 procent van het biodiversiteitsverlies is toe te schrijven aan de veehouderij; in Nederland zijn er zorgen over het welzijn van dieren, overmatig gebruik van antibiotica en stankoverlast; in ontwikkelingslanden is de grootste zorg of er wel voldoende voedsel is en of boeren voldoende inkomen kunnen halen uit hun werk.

Niet of/of maar en/en
Het bleef echter niet bij het benoemen van de problemen. Vooral over oplossingen werd veel gepraat. Alle sprekers benadrukten dat er geen simpele, eenduidige oplossingen zijn. "Maatwerk. Niet one size fits all", zo werd gezegd. Verschillende veehouderijsystemen die naast elkaar bestaan is juist de kracht. Martin Scholten, directeur van de Animal Sciences Group van Wageningen UR, refereerde aan de polarisatie in het publieke debat en zei: “Ik heb vreemde tegenstellingen voorbij horen komen. Het is niet óf biologisch óf intensief. Het is niet óf dierenwelzijn óf milieu en klimaat. Als we denken in tegenstellingen en vinden dat we moeten kiezen, dan hebben we geen wetenschappers nodig. Maar als we geen keuze willen maken, maar streven naar én/én, dan kunnen wetenschappers een belangrijke rol spelen. Niet polariseren, maar verbinden en zo samenwerken aan een zorgvuldige veehouderij.”

Westers consumptiepatroon stimuleren of afremmen?
Westerse consumenten eten gemiddeld veel meer dierlijke eiwitten dan de dagelijks aanbevolen hoeveelheid van 60 gram, meldde Henk Westhoek van het Planbureau voor de Leefomgeving. En ook in de rest van de wereld, op plekken waar de welvaart toeneemt, staat steeds vaker vlees op het menu. Waar Dekker zich over die toenemende vraag naar vlees overwegend positief uitliet – “groeikansen voor de veehouderij” – wees Westhoek op de negatieve gezondheidseffecten van het eten en drinken van te veel dierlijke vetten. Westhoek: “Ik zeg niet dat we géén dierlijke producten moeten eten, want ze bevatten ook veel gezonde stoffen, maar het kan best wat minder.” Hij stelde de vraag of toenemende welvaart automatisch leidt tot een “westers consumptiepatroon” of dat hier meer aan de hand was? Hamburgerketens breiden met goede marketing razendsnel hun marktaandeel uit in China en dankzij ijsfabrikant Ola is het eten van Magnums ineens reuze populair in Indonesië, waar een paar jaar geleden nauwelijks ijs werd gegeten, stelde Westhoek. “Ik geloof wel dat mensen de neiging hebben meer dierlijke eiwitten te eten als ze welvarender worden, maar de vraag is of je dat nog eens extra moet stimuleren of proberen iets te remmen”, zei hij.

Diervriendelijk en efficiënt
In de slotdiscussie mochten de laatste drie sprekers vertellen wat de voordelen waren van de biologische veehouderij, de gangbare veehouderij en – vooral – een combinatie van verschillende typen veehouderij, want juist in die pluriformiteit zagen alle sprekers de oplossing. “Een groot voordeel van de intensieve veehouderij is de lage kostprijs. Een pluspunt van de biologische veehouderij is dat het laat zien dat dingen ook anders kunnen”, zei Imke de Boer, hoogleraar Dierlijke productiesystemen aan Wageningen University. In haar toespraak gaf ze voorbeelden van “dingen die anders kunnen”, zoals langzamer groeiende kuikens. Een kuiken van een ras dat langzamer groeit heeft minder moeite met lopen. Goed voor de gezondheid van het dier. Maar zo’n kuiken zet het voer ook minder efficiënt om in kipfilets; het eet veel meer voer en brengt minder vlees op. De Boer: “Dat zou dus minder goed zijn voor het milieu. En als je het langzaam groeiende kuiken hetzelfde voer geeft als het snelgroeiende kuiken, dan is dat ook zo. Maar een Britse studie laat zien dat je het langzaam groeiende kuiken ander voer kunt geven, waarvan de productie een flink lagere bijdrage levert aan klimaatverandering. Uiteindelijk blijkt de impact op het klimaat van dat langzaam groeiende kuiken niet slechter te zijn dan dat van het snel groeiende kuiken, maar het dierenwelzijn verbetert wel.”

Minder antibiotica
Wouter van der Weijden, directeur van het Centrum voor Landbouw en Milieu, complimenteerde de intensieve landbouw met het grootschalige gebruik van reststromen om varkens te voeren en prees de biologische veehouderij  om het “woekeren met biologische mechanismen om dieren weerbaarder te maken”, zoals minder snel grijpen naar antibiotica maar de dieren zelf robuuster maken. Hij benadrukte dat boeren zich bewust dienen te zijn van het ecologische en sociale kader waarbinnen ze opereren en zei: “De mensen in het groene onderwijs zou ik willen meegeven: leer studenten niet alleen hoe ze een bedrijf moeten runnen, maar ook hoe ze met hun omgeving moeten omgaan.”

Reststromen gebruiken
Vanuit het ministerie van Economische Zaken was Geert Westenbrink afgevaardigd om te spreken op het Wageningse symposium, georganiseerd door de Nederlandse Zoötechnische Vereniging en de Studiekring Ontwikkelingsvraagstukken. Zijn verhaal ging vooral over het efficiënter gebruiken van grondstoffen en het sluiten van kringlopen en hij riep de conferentiegangers op daarover mee te praten op livestockdialogue.org. Maar Westenbrink, net terug van zes jaar Ethiopië, had het nadrukkelijk ook over de kleine boeren in Afrika en Azië, met gemiddeld 2 hectare grond. “Hou die mensen erbij”, propageerde hij. “Zij produceren de bulk van al het voedsel van de wereld, maar we moeten wel zorgen dat ze kunnen meeprofiteren van de sterke vraagontwikkeling naar dierlijke producten.”

De Boer voegde daar aan toe dat in die landen weer hele andere oplossingen nodig zijn. “De allerarmste smallholders hebben vaak veel kippen. Die kan men namelijk ook gebruiken als ruilmiddel, of die geeft men elkaar cadeau. Daar hebben boeren dus liever veel laagproductieve kippen dan een paar hoogproductieve kippen. Het in leven houden van de kippen is belangrijker dan de opbrengst aan eieren, dus daar richten we ons meer op goede huisvesting, vaccinatie en toegang tot markten.

Afbeelding 1
Powered by TKW Media